avatar Jelle VerstaenJelle Verstaen    22 dec 2021, 17:01    0   

Over een tweetal weken is het zover: dan wordt de moeder aller rallyraids afgetrapt aan de Rode Zee. Op 2 januari vertrekt de Dakar Rally in het Saoedische Ha’il (na een proloog voor de startvolgorde op nieuwjaar), om exact twee weken later in Jeddah te finishen. Tijdens die veertiendaagse door Saoedi-Arabië zullen de deelnemers dik 8.000 kilometer door de duinen ploegen, waarvan exact 4.258 kilometer aan specials met het mes tussen de tanden. België brengt maar liefst 38 deelnemers aan de start, inclusief vier motorrijders. Onder hen ook rookie Mathieu Liebaert (30). Hoog tijd om nog snel op de koffie te gaan. Op ruim anderhalve meter, dat spreekt. “Nu nog een coronabesmetting oplopen zou een regelrechte ramp zijn. Dan kan de voorbereiding van een jaar lang meteen de vuilbak in…” 

MotorNieuws: Je omschrijft jezelf als een laatbloeier op motorvlak: je bent dertig, maar hebt je eerste enduro pas op je 27e gekocht. Hoe zit dat precies? 

Mathieu Liebaert: “Klopt, op mijn 27e heb ik mijn eerste motor tout court gekocht. Maar die heeft amper 60 uren gedraaid, tot nu toe, ik rijd echt heel weinig in België. Al reed ik wel al een tijdje eerder offroad: als we op vakantie gingen met de familie bijvoorbeeld. We zijn nogal avontuurlijk aangelegd, dus huurden we wel eens een motor, trailriden met een gids en zo. De beste vriend van mijn papa is Wim De Cramer, die vroeger Wim Motors uitbaatte, en tegenwoordig eigenaar van Wim Motors Academy in het zuiden van Portugal. Daar heb ik echt leren rijden, ben ik in contact gekomen met roadbooks en rallyrijden. Dat lag mij echt meteen.”

“Daarenboven is Clint – de zoon van Wim – mijn beste maat geworden, waarna we samen enkele rally’s zijn gaan rijden. De eerste keer was voor mij de Merzouga Rally in Marokko, in 2015. Daar heb ik onwaarschijnlijk afgezien, ik was – afgezien van die vier à vijf trips naar Portugal – totaal niet voorbereid en had amper fysiek. Die eerste kennismaking met competitierijden was ondanks alles wel een voltreffer, echt wijs.” (lacht) “Vanaf dat punt had ik iets van ‘ok, je moet goed met de motor kunnen rijden, maar als je niet navigeert geraak je nergens. Die combinatie van uithouding, snelheid en navigatie lag mij wel. In die rally’s deed ik niet meteen mee met de toppers, zeker niet. Maar ik reed wel subtop, en onder de amateurs was ik bij de betere.”

“Goed een jaar geleden heb ik voor ‘t eerst op een crossterrein gereden, in Axel, Nederland. Dat was verschrikkelijk.” (lacht) “Dat voelde echt alsof ik niet met de motor kon rijden. De eerste keer zie je af en rijd je amper twee rondjes, maar vervolgens heb ik wel het BK Enduro meegereden, en zelfs MCLB geprobeerd – gewoon om te zien hoe ‘t was.”

“Ik ga dus ook niet beweren dat ik fabuleus goed met de motor kan rijden, maar ik heb wel extreem veel doorzettingsvermogen. In Marokko ben ik dit jaar erg zwaar gevallen op de derde dag, waarbij ik mijn enkel had bezeerd. En op de laatste dag – met nog 160 km te gaan – heb ik mijn duim gebroken. Maar ik heb ‘m wel uitgereden en finishte 18de op 100 starters. Ook in Portugal, bijvoorbeeld, waar ik het endurokampioenschap heb uitgereden met een gebroken kuitbeen. Doorbijten kan ik wel – daar zal ‘t probleem niet zitten.”

MN: Wat is je persoonlijke motorgeschiedenis, waar heb je zoal mee gereden?

Liebaert: “Bij Wim heb ik met allerlei Husqvarna’s gereden, van twee- tot viertakts. Ik heb zelf een Husqi 450 enduro staan, en een crossmotor – een 350 van KTM – om te kunnen trainen op het crossparcours. En mijn rallymotor, uiteraard.”

MN: Je werkt overdag niet in één, maar twee bedrijven – zo sta je aan ‘t hoofd van de Innovation en Marketing-afdeling van Liebaert Textiles en beheer je ook Socrates Projects – waar vind je de tijd om nog te trainen voor Dakar?

Liebaert: “Het voordeel dat ik bij Liebaert heb, is de flexibiliteit die mij van het management uit is toegestaan om mij optimaal voor te bereiden. Het voordeel was ook: door de hele covid-pandemie kon ik niet elk facet van mijn job uitvoeren. Zo ben ik verantwoordelijk voor de Amerikaanse en Chinese markt, maar mochten we amper reizen. Dus in se had ik iets meer vrije tijd dan normaal – waar ik doorgaans voltijds bezig was, werkte ik nu ongeveer 4/5.”

MN: Is een voorbereiding op Dakar een kwestie van dagelijks mee bezig zijn? Of volstaat een training om de twee weekends?

Liebaert: “Door mijn enkel te breken ben ik behoorlijk wat tijd verloren, dus heb ik meer moeten doen op een kortere periode. Maar vanaf juni was het non-stop met de focus op Dakar, of toch minstens 6 op 7 sporten en trainen. Eén keer per week trainde ik op de motor, op woensdagen had ik personal training voor de specifieke spiergroepen, core stability, en werd ik getraind op reactiesnelheid. Alles in de Dakar Rally gaat zoveel sneller dan op een crossparcours, daar moest ik op voorbereid zijn. Verder heb ik heel veel gelopen en gefietst, waarbij ik steeds opgevolgd werd door mijn kiné en mijn personal trainer. Op mijn eten heb ik iets minder gelet – ik zou er mijn frietjes niet voor laten staan.” (lacht)

“Op Kerstmis ga ik nog wel een glaasje drinken, maar voor de rest heb ik alcohol gelaten. Een vermoeiende avond en slechte nacht neem je mee naar je werk en vervolgens naar je training ‘s avonds, dus dat wil je in de aanloop naar Dakar wel vermijden.”

MN: Je had ‘t al even over je blessures, in hoeverre ben je volledig hersteld om 100% aan de start te staan?

Liebaert: “Ik heb sowieso wel nog wat last aan mijn duim, de operatie is amper twee maand geleden. En ‘t was een fameuze breuk. Dus die zal wel wat stijf zijn en zwellen na zo’n dag rijden, vrees ik. Maar bon, dat zal op de tanden bijten worden hé!”

MN: Over welke kwaliteiten moet een Dakar-rijder volgens jou beschikken? 

Liebaert: “Voor mij zijn er meerdere facetten heel belangrijk. Los van je skills op vlak van motorrijden, zijn ook uithouding en techniek van primordiaal belang. Ik heb me bij Wim ook laten coachen door motorcrosstrainer Didier Dhondt, die me op vlak van techniek echt waanzinnig veel heeft bijgeleerd. Hij heeft me ook geleerd hoe ik mezelf minder kan vermoeien op de rallymotor: veertig kilometer over geitenpaadjes rijden bijvoorbeeld. Zelfs al ben je een goeie piloot, dan nog kruipt dat in de kleren. Maar als je daar niet op voorbereid bent, dan maakt die techniek het verschil tussen rechtblijven of vallen, tussen vermoeid aan de finish komen of kunnen recupereren.”

“Maar ook het fysieke en mentale aspect vallen niet te versmaden – je mag je niet laten ophitsen door veel ervarener concurrenten. En dat is niet makkelijk: je zit in die wedstrijdvibe, niemand vindt het leuk om voorbij gereden te worden. Maar in Dakar moet je twaalf dagen vol aan de bak, en weet je dat de helft niet eens aan de finish geraakt. Dus is het zaak om in je eigen wereldje te blijven, en je eigen race te rijden.”

MN: Naast een fysieke paraatheid, de nodige motorskills en lef is er nog een vlak waarop de Dakar-rijder maar beter kan excelleren: navigeren. Ben je daar goed in?

Liebaert: “Ja, dat denk ik wel. Al heb ik op dat vlak veel te danken aan mijn opleiding als vliegtuigpiloot: daarbij navigeer je namelijk ook heel vaak op zicht. Dat doe je quasi op dezelfde manier in de duinen. Je navigeert op koers, waarbij de kortste lijn een rechte lijn is – maar soms gaat dat gewoon niet. Dan is het heel belangrijk om van punt naar punt te rijden, waarbij je referenties vastlegt en daarheen rijdt. Als piloot leer je om veel gegevens gelijktijdig in het oog te houden. Je richting, je snelheid, de verstreken tijd en afstand… Waarbij je steeds kalm moet blijven en moet analyseren. Die combinatie is net waar beginnende rallyrijders het erg lastig mee hebben: ze willen altijd sneller rijden dan ze kunnen navigeren. En zo maken ze fouten en keren ze niet snel genoeg op hun stappen terug.”


“Merk je op een bepaald punt dat je 200 meter gereden hebt en je roadbook niet langer klopt, dan moet je eigenlijk zonder twijfel terug naar het laatste punt waarop het wel klopte. Die zijn zo precies dat, als je een punt mist, je eigenlijk amper nog aansluit vindt bij de rest van het roadbook. Zo krijg je situaties van rijders die tientallen kilometers verkeerd rijden, terwijl de plaatjes van hun roadbook hen dat al even lang proberen duidelijk te maken.” (lacht) “Ook als beginner moet je je hoofd koel houden op vlak van navigatie. Zelfs al vertrekt een deel van de karavaan in een bepaalde richting, als je zeker weet dat je eigenlijk een andere richting uit moet, dan doe je er beter aan om je eigen weg te gaan.”

MN: Op welke punten schiet je naar je eigen mening nog tekort?

Liebaert: “Heel snelle pistes zijn mijn absolute achilleshiel. Het soort pistes dat als ‘makkelijker’ wordt beschouwd door het gros van de karavaan. Dan haal je plots wel snelheden van 140 tot 150 km/u, maar als je dan een grote steen raakt of een put te laat gezien hebt… Ik hoef je niet te vertellen hoe catastrofaal de gevolgen dan zijn. Ofwel blesseer je jezelf en is je motor stuk, ofwel zit je Dakar erop – om over het ergste nog niet te denken. Nee, doe mij dan maar etappes van 300 kilometer door de duinen, in plaats van een sprint van 300 kilometer die je in minder dan tweeënhalf uren en bij gemiddeldes van 120 km/u moet afhaspelen.”

MN: Je collega Walter Roelants vertelde na zijn eerste Dakar Rally vorig jaar ‘ik heb 30 keer die gast met de zeis gezien, ik reed te snel en te agressief’. Heb je al stilgestaan bij de potentiële gevaren van de Dakar Rally? 

Liebaert: “Ik probeer daar zo weinig mogelijk aan te denken. Bij mijn zware crash in Marokko heb ik echt geluk gehad, maar dat zijn de risico’s van het vak. Ik weet wel wat ik op dat moment fout heb gedaan en wat ik tijdens de Dakar Rally dus niet ga proberen doen. Maar er zijn sowieso gevaren aan verbonden. Al hangt er wel wat af van het doel waarmee je aan de start staat: zowel voor Walter als voor mij is dat simpel: finishen.”

“Ik denk dat Walter ook niet ideaal voorbereid was, vorig jaar. Door COVID had hij niet kunnen trainen in het zand – hij had letterlijk nog nooit door het zand gereden voor hij aan de start stond. Dus ik vrees dat hij zijn eerste dagen immens heeft afgezien. En daarenboven de klik moest maken: hij moest iets sneller rijden dan hij wou, omdat hij ingehaald werd door de trucks. Geloof mij, je wilt niet in die stofwolken achter de trucks terechtkomen, je ziet niks – da’s levensgevaarlijk. Wat hij heeft verwezenlijkt, daar neem ik mijn petje voor af!”

“Een van mijn mentoren is overigens Henk Knuiman, de Nederlander die Dakar tien keer heeft uitgereden. Hij vertelde mij: ‘denk vooral niet dat je aan een walk in the park begint, die etappes gaan je slopen’. Komende van zo’n topper, dat zet je wel aan het denken.”

MN: Wat was voor jou de grootste horde om te nemen, met het oog op Dakar?

Liebaert: “De grootste moeilijkheid was een combinatie van drie factoren. Sponsoring rondkrijgen en bijbehorende inspanningen doen voor mijn sponsors – daar sta ik echt op, maar daar kruipt waanzinnig veel tijd in. Contentcreatie, aanwezig zijn op evenementen… Maar ook mijn werk proberen afstemmen op mijn plannen, en tezelfdertijd ook mijn sociaal leven overeind proberen houden. Met een doel als Dakar moet je soms egoïstisch durven zijn. Wat niet altijd vlot te rijmen valt met een vriendengroep en mijn vriendin. Dat was lastig. Mijn familie en vrienden staan achter mij, maar ik denk toch niet dat ik het volgend jaar opnieuw zou moeten doen!” (Lacht)

“Zeg nooit nooit, maar volgend jaar sowieso niet. Er staat geweldig veel op de planning voor het bedrijf, en je moet het budget ook bijeengeharkt krijgen, natuurlijk. Ik ken mezelf: tenzij er mij iets ergs overkomt tijdens deze editie, rijd ik binnen dit en tien jaar een volgende keer mee.” (Lacht) “Dat hoor je het vaakst bij de amateurrijders. De eerste twee maand zweren ze bij hoog en laag dat ze nooit meer meedoen, ze hebben het volledig gehad. Maar eenmaal de dagelijkse sleur er opnieuw in sluipt, missen ze het avontuur opnieuw. Dus ja…”

MN: Je bent een voorbeeld van hoe je op enkele jaren tijd klaargestoomd raakt voor een deelname aan Dakar. Dat kan veel motorrijders inspireren om de stap ook te zetten. Maar welk budget houden ze daar het best voor aan de kant?

Liebaert: “Je moet toch rekenen dat je ongeveer 100 à 110.000 euro nodig hebt. Inclusief een gedegen voorbereiding en de aanschaf van je motor. Mijn KTM 450 Rally Replica bijvoorbeeld kost 32.000 euro, da’s al een derde van het budget. Maar dan heb je nog niet getraind, hé. Na de Rallye du Maroc van enkele maanden geleden moest mijn rallymotor binnen voor een volledig nazicht en prepareren voor Dakar. De factuur daarvan bedroeg 5.000 euro, werkelijk alles wordt vernieuwd. Tot de rem- en koppelingshendel toe. Je wilt niet tot de constatatie komen dat je Dakar door een stuk van 25 euro in het water valt…”

“Neen, een deelname aan Dakar is duur, dat ga ik niet ontkennen. En een rallymotor is belachelijk duur. Daar zit geen gram teveel aan, en elk element is prijzig. Zo kostte één crash in Marokko me meteen 1.500 euro voor twee onderdelen: een nieuw roadbook en een nieuwe ERTF-meter. Eén keer vallen, hupla. Dan kan je beter BK Enduro rijden.” (lacht)

 

MN: Over onderdelen vervangen gesproken: hoe is het met jouw ‘bush mechanics’ gesteld? Kan je zelf voldoende sleutelen om kleine defecten te verhelpen onderweg?

Liebaert: “Tijdens de specials is er geen bijstand voorzien, maar we hebben wel een satelliettelefoon mee. Dus we zijn altijd bereikbaar als er echt een probleem zou zijn. Maar afgelopen weekend heb ik bij het team (BAS Dakar) een volledige scholing rond de techniek van mijn motor gekregen. Ik ben wel een beetje technisch aangelegd, maar vraag mij niet om een koppeling te vervangen.” (lacht) “Tijdens de cursus hebben we specifiek geleerd wat te doen bij elk mogelijk defect – van elektrische tot injectieproblemen. Maar met de focus wel eerder op de kleine reparaties onderweg. Ik kom dus niet geheel onbeslagen op het – eh – ijs.”

“Maar goed, ik ben geen toprijder hé. Waar zij hun motoren constant tot tegen de begrenzer rijden, ziet die van mij in theorie minder af. Tenzij ik crash, natuurlijk. Maar dan nog: als je roadbook kapot is, of je kilometerteller werkt niet meer, dan kan je nog steeds op spoor rijden. Minder ideaal –  ‘t blijft natuurlijk hopen dat je het spoor van een goede navigator beet hebt – maar doenbaar.” 

MN: Even over je motor: je trekt de zandbak in met een KTM 450 Rally Replica.  Vanwaar de keuze voor de KTM? 

Liebaert: “Simpelweg omdat mijn team – BAS Dakar – met KTM rijdt. De knowhow die zij rond het merk en de motor hebben is onbetaalbaar.”

MN: Heb je zelf nog veel aangepast, of stond hij – afgezien van de sponsorstickers – klaar voor jou?

Liebaert: “Mijn vering is op gewicht gezet en moet nog wat gefinetuned worden in Saoedi-Arabië, volgende week. Vooral omdat je een evenwicht moet vinden dat werkt met de volle tanks – 15 liter vooraan en 15 liter achteraan – maar evenzeer een afstelling die werkt wanneer de tanks leeg geraken. Die tientallen kilo’s maken op zo’n motor al snel een groot verschil. Voor de rest staat mijn KTM 450 Rally Replica standaard.”

MN: De Dakar Rally wordt dit jaar in Saudi-Arabië uitgevochten, een derde jaar in Azië na enkele jaren in Zuid-Amerika. Maar had je ‘m stiekem niet liever over het originele traject – met finish aan het Lac Rose in Senegal gereden? 

Liebaert: “Voor mij maakt dat minder uit. De laatste editie die in Zuid-Amerika werd verreden zag er ook top uit, met die enorme duinen in Peru. Daar moeten de beelden van Saoedi-Arabië niet voor onderdoen. Maar misschien nog belangrijker is dat het een land is waar ik onder normale omstandigheden niet snel naartoe zou reizen, dus dat voegt een extraatje toe aan de rally voor mij. Maar goed, mocht er een editie ‘back to the roots’ komen, met vertrek op de Champs Elysées en een finish in Dakar… Dat moet een kick geven. Als je die verhalen ook leest van de vroegere Dakars, met Rahier, Auriol, Orioli… Dan is wat wij doen eigenlijk voor mietjes. Dat waren de echte boys.” (lacht)

MN: Dit jaar – de 44ste edidite – staan niet minder dan 38 Belgen aan de start van de Dakar Rally, waaronder vier motorrijders. Bestaat er zoiets als een ‘kamp België’, of trekt ieder zich terug tot zijn crew? 

Liebaert: “Walter en ik komen goed overeen, wij hebben in hetzelfde team deelgenomen aan de Andalucia Rally vorig jaar. Jérôme Martiny heb ik ook al leren kennen in Marokko, maar dat is het dan ook. Vooraf zal er wel wat gepraat worden, maar eenmaal de rally start, zal iedereen wel in zijn team blijven. Als we in de bivak naast elkaar zitten, dan wordt er wel eens bijgekletst, maar verder gaat dat niet.”

MN: Wat zijn je persoonlijke ambities voor de Dakar Rally?

Liebaert: “Goh, gewoon uitrijden man!” (lacht) “Als ik weet dat ik alles gegeven heb, en heelhuids aan de finish geraak, dan ga ik heel tevreden zijn. Ik zou liegen als ik zeg dat ik niet naar het klassement ga kijken. Maar eerlijk gezegd: of je nu 40ste of 70ste eindigt, de media berichten toch maar over de eerste tien. Daar maak ik mij weinig zorgen in. Ik verwacht niet dat ik net na de Dakar Rally al ga kunnen genieten, maar laat mij er enkele maanden later op terugkijken, en ‘t zal met een grote grijns zijn. Wat een ervaring!”

Wil je de avonturen van Mathieu op de voet volgen? Volg ‘m dan zeker ook op de sociale media: klik hier voor Facebook en hier voor Instagram. Wij voorzien ook updates tijdens de Dakar Rally! Massa’s succes, Mathieu!

Geef een antwoord